Er is een stijl die je in elk woonmagazine voorbij ziet komen zonder dat iemand precies uitlegt wat je ermee aan moet. Wabi-sabi. Meestal staat er dan een foto bij van een kale kamer met een scheve pot erin en de mededeling dat imperfectie mooi is. Daar koop je geen bank van. Dus hierbij de versie waar je wel iets mee kunt, met de vormen, de stoffen en de kleuren die erbij horen en de dingen die er echt niet in passen.
Wat wabi-sabi eigenlijk betekent
Het is een Japans idee dat uit de theeceremonie komt en dat teruggaat op het zenboeddhisme. Wabi gaat over eenvoud en over soberheid, sabi over wat er met dingen gebeurt als de tijd eroverheen gaat. Samen komt het neer op schoonheid in wat niet af is, niet symmetrisch is en niet nieuw is. Het bekendste voorbeeld kent bijna iedereen zonder de term te kennen, namelijk kintsugi, waarbij gebroken aardewerk met goudlak wordt gelijmd zodat je de breuk juist ziet in plaats van dat hij wordt weggewerkt.
Vertaald naar een woonkamer betekent dat vooral iets over materiaal. Een wabi-sabi-interieur is niet rommelig en ook niet kaal, het bestaat uit spullen die mooier worden naarmate je ze gebruikt. Hout dat donkerder wordt, linnen dat zachter wordt, leer dat gaat glimmen op de plekken waar je armen liggen. Dat is meteen het eerlijkste verkoopargument van deze stijl, want je koopt geen look maar je koopt materialen die tegen tien jaar leven kunnen.
Het verschil met japandi en warm minimalisme
Deze drie worden voortdurend door elkaar gehaald en ze liggen inderdaad naast elkaar, maar ze zijn niet hetzelfde. Japandi is de nette variant, met strakke lijnen, veel functie en een duidelijke hand van een ontwerper. Alles staat er recht en alles klopt. Warm minimalisme houdt de rust van het minimalisme vast maar haalt er de kilte uit met zachte stoffen en warme tinten.
Wabi-sabi gaat een stap verder de andere kant op. Hier mag iets scheef staan, mag een naad ongelijk lopen en mag een tafel een kring hebben. Het is de minst gestileerde van de drie en daarmee ook de lastigste, want de grens tussen sfeervol en slordig is smal. Wie de strakke variant prettiger vindt, kijkt beter naar de Scandinavische aanpak, waar dezelfde natuurlijke materialen zitten maar met meer orde eromheen.
De bank die erbij hoort
Begin bij de hoogte. Een wabi-sabi-bank zit laag, met een rug die niet veel hoger komt dan een meter, zodat hij visueel in de kamer zakt in plaats van dat hij hem in tweeën knipt. Hoge rugleuningen met nekstukken horen bij een heel andere stijl en breken de rustige horizontale lijn waar deze look op drijft.
Daarna de vulling. Losse kussens in plaats van een vaste zitting, want die krijgen na een halfjaar de vorm van de mensen die erop zitten en dat is hier geen gebrek maar het doel. Een strak getrokken zitting met stiknaden en bies doet precies het omgekeerde, die wil er nieuw blijven uitzien. Let bij het kiezen wel op de vulling zelf, want veren en dons zakken mooi in maar je moet ze wel geregeld opschudden, terwijl goedkoop schuim niet inzakt maar instort.
De vorm mag onregelmatig zijn. Een modulaire bank waarvan de delen net niet in één rechte lijn staan werkt hier goed, en een bank met afgeronde hoeken werkt beter dan een blok. Poten zijn een detail waar het vaak misgaat. Kies hout, bij voorkeur onbehandeld of met een matte olie, en laat chroom en glimmende metalen pootjes staan.
Stof en kleur die mooi oud worden
De stofkeuze is bij deze stijl belangrijker dan het model. Linnen is de logische eerste keuze omdat het kreukt, en die kreuk is het punt. Zware weefstof en ongebleekt katoen doen hetzelfde. Plantaardig gelooid leer hoort er ook bij, want dat wordt donkerder en krijgt na een paar jaar een eigen tekening. Hoe je dat bijhoudt zonder het dood te poetsen staat in ons stuk over leren banken onderhouden.
Wat niet werkt is alles met een glans. Velvet reflecteert licht en oogt luxe, en dat is precies de tegenovergestelde boodschap. Ook een strak gladde kunstleer valt af, want die slijt lelijk in plaats van mooi. Over bouclé krijgen we hier de meeste vragen, en het antwoord is dat het kan als de kleur ongeverfd en rommelig is, maar dat de perfect witte variant te veel op een showroom lijkt. We schreven eerder op wat bouclé in de praktijk doet als er kinderen of dieren in huis zijn.
Voor kleur blijf je weg bij de uitersten. Geen helder wit en geen diep zwart, maar de tinten daartussen die naar aarde neigen. Havermout, klei, paddenstoel, ongebleekt ecru, een grijsbruin dat je niet goed kunt benoemen. Die kleuren zijn trouwens ook praktisch, want ze laten stof en vlekken minder zien dan wit en ze verkleuren minder zichtbaar in de zon.
De zitmeubelen eromheen
Hier zit het grootste verschil met hoe de meeste Nederlandse woonkamers zijn ingericht. Een wabi-sabi-kamer heeft geen set. Geen bank met twee bijpassende fauteuils in dezelfde stof, maar een bank met daarnaast iets dat er duidelijk niet bij hoort. Een oude houten stoel, een lage kruk, een rieten fauteuil die je bij een kringloop hebt opgepikt.
Dat voelt eerst onaf en dat is precies de bedoeling. Wat het bindt is niet de kleur en ook niet het merk, maar de vraag of de dingen van hetzelfde soort materiaal zijn gemaakt. Hout bij hout, natuurvezel bij natuurvezel. Zet er één ding tussen van glanzend kunststof en de hele hoek valt uit elkaar. Zet er drie verschillende houtsoorten neer en het klopt nog steeds.
Een vloerkussen of een lage poef hoort er ook bij, al is dat in een Nederlandse woonkamer met een bankstel en een televisie vaak een stap te ver. Doe het alleen als je het echt gebruikt, want een ongebruikt vloerkussen is gewoon een obstakel.
Wat er niet bij past
Een paar dingen zijn hier echt onverenigbaar. Een bank met capitonnage en knopen, want dat is bewerkt en rijk. Piping langs de randen. Een hoekbank met een chaise longue waar de hoes strak overheen is getrokken. Glazen salontafels en spiegelende kasten. En verder alles wat in een set van drie is gekocht.
Er is ook een misverstand dat ik graag uit de wereld help. Wabi-sabi is geen excuus om een versleten bank te laten staan. Een stof die gaat pillen, schuim dat is ingezakt of een naad die openstaat is geen patina maar slijtage, en het verschil is dat patina iets toevoegt en slijtage iets wegneemt. De stijl vraagt juist om goed gemaakte meubels van eerlijke materialen, en dat is niet de goedkoopste route.
Waar ik zou beginnen
Als je nu een woonkamer hebt in een willekeurige stijl en je wilt deze kant op, koop dan niet meteen een nieuwe bank. Begin met de stof. Een linnen hoes over de bank die er staat, een ongebleekt vloerkleed van wol of jute, en weg met alle kussens die glimmen. Dat kost weinig en je ziet binnen een middag of deze stemming je bevalt.
Bevalt het, dan is de bank de volgende aankoop en dan zoek je op materiaal in plaats van op model. In onze bankengids kun je filteren op stof en kleur, en wie niet weet waar te beginnen loopt eerst even door de keuzehulp. Zoek in dat overzicht naar weefstof en linnen in gedempte tinten, en sla de gladde en glanzende opties over. Dat is in de kern de hele stijl, en de rest komt vanzelf met de jaren erbij.
